Historie Praam & Almelo
Inleiding – Waarom de praam weer vaart
Vroeger klotste het water gewoon door Almelo. Schepen voeren af en aan, beladen met turf, bakstenen en textiel. En dat allemaal in een streek waarvan je zou zeggen: daar kunt toch niet varen?
Toch wel.
Historicus dr. Schutte noemde het niet voor niks "Varen waar geen water is." In die tijd was het water de levensader van Twente. De wegen waren modderig, de schepen betrouwbaar. Over de Almelose Aa, de Schipsloot en het kanaal naar Zwolle kwam alles wat de stad nodig had.
Maar het water trok zich terug. De kanalen raakten in de vergetelheid. De haven werd gedempt, de schepen verdwenen. En toen werd het stil.
Tot een stel eigenwijze Almelose waterliefhebbers dacht: dat kan toch niet, een stad met zo’n geschiedenis zonder schip? Zo kwam de praam terug. Niet zomaar een boot, maar een levende herinnering aan een tijd dat Almelo leefde van en met het water.
Vandaag vaart ze weer. De honderdjarige Stad Almelo II, een oude Friese boerenpraam met een nieuwe elektrische hartslag. Ze glijdt stil door de grachten, langs oude fabriekspanden en nieuwe woonwijken, en laat zien hoe verleden en toekomst elkaar ontmoeten op het water.
Of, zoals we hier zeggen: We hebt ’t water weer in de stad, en dat löp good.
Almelo, stad van water
Je zou het nu niet zeggen, maar Almelo was ooit een echte havenstad. Geen zeehaven vol masten en matrozen, moar een Twentse versie daarvan – met zompen, pramen en hardwerkende leu die de graan- en turfschepen afmeerden aan de kade.
De stad ligt in het laagste deel van Twente. Precies op het punt woar riviertjes as de Loolee en de Almelose Aa samenkwamen. Dat was een voordeel: het water kon hier naartoe, en met wat slim graafwerk kon je er zelfs op varen.

De rode stippellijn is de Almelose Aa tot 1476, toen is de bocht afgesneden. Deze waterlopen hadden een belangrijke functie voor Almelo als overslagplaats van allerlei goederen.
Zo groeide Almelo uit tot overslaghaven voor het achterland. Vanuit Zwolle kwamen de schepen met textiel, turf en andere handelswaar.
In de 17e en 18e eeuw was het hier een drukte van belang. Er waren zelfs twéé havens: eentje van de heer van Almelo, tegenover het toenmalige stadhuis (waar nu het Wetshuys zit), en eentje van de stad zelf tussen de Schuttenstraat en de Prinsenstraat. Daar werd gelost, geladen en – jawel – geroddeld.
De schepen van toen waren ondiepe platbodems, zo’n twaalf meter lang en amper drie meter breed. Ze konden goed over de smalle beken manoeuvreren en hadden voortreffelijke zeileigenschappen. Met de komst van de textielfabrieken in de 19e eeuw moest alles groter. De oude zompen van twaalf ton konden de vraag niet meer aan. En dus werd er in 1855 een nieuw kanaal gegraven: het kanaal Almelo–Zwolle.
Die nieuwe vaarweg eindigde in de stad, bij wat nu café Nielz is. Daar lag de haven – handig dicht bij de markt, zodat de turf direct verkocht kon worden. En omdat één kanaal nooit genoeg is voor een ondernemende Twentenaar, begon men eind 19e eeuw ook nog aan het Almelo–Nordhornkanaal, richting Duitsland.
Via dat water kwamen de stenen, de kolen en de verhalen. Schepen voeren vol lading richting Almelo, en leeg maar voldaan weer terug. Het water was de slagader van de stad – tot de wegen verhard werden en de vrachtwagens het overnamen.
Moar daarover straks meer. Eerst nog even genieten van het idee: Almelo, de havenstad van Twente. Klinkt gek, moar ’t is krek zo.
De schepen van toen
Als je vroeger over de Almelose Aa keek, zag je geen jachten of plezierbootjes, moar stoere werkpaarden van ijzer en hout. De zompen waren de eersten. Houten platbodems, breed, ondiep en gebouwd om door elk slingerend beekje te glijden zonder vast te lopen. Geen luxe, geen franje – gewoon functioneel.
Ze vervoerden turf uit Vriezenveen, bakstenen uit Gramsbergen en textiel voor de fabrieken. Een schipper had het niet breed, moar wel trots. Want zonder hem geen vuur in de fabriek, geen brood op tafel en geen beschuit van Bolletje.
Rond 1880 verschenen de eerste ijzeren pramen. Sterker, groter en beter bestand tegen de grillen van wind en water. Ze vervingen langzaam de houten zompen, die letterlijk versleten raakten onder het gewicht van de vooruitgang. De turfvaart bloeide, en het werd druk op de kanalen.
Een praam was eigenlijk een rijdende vrachtwagen op water. Ze werden geduwd, gejaagd met een vaarboom of – als de wind meehielp – voortgetrokken door een klein zeil. De schipper woonde vaak aan boord, met zijn gezin, zijn hond en een paar kippen voor de eieren. Het was een varend huishouden op een paar meter hout en ijzer.
Toen de motor zijn intrede deed, veranderde alles. De zeilen verdwenen langzaam uit beeld, en het vertrouwde geknor van de dieselmotor nam het over. De vaart werd sneller, maar de romantiek wat minder.
Toch bleef die oude praam het symbool van Twentse vindingrijkheid: eenvoudig, stevig en trouw. Een schip dat niet klaagde, moar gewoon deed wat nodig was. En precies dát is de geest die we vandaag nog steeds voelen aan boord van de Stad Almelo II.
Want ook al heeft ze nu een elektrische motor, ze blijft van binnen diezelfde nuchtere werkschuit uit een tijd dat er nog écht gevaren werd.
Toen het water verdween
Er kwam een tijd dat de stilte zwaarder woog dan het klotsen van het water. De vrachtwagens namen het over, de rails gleden tot in het hart van de fabriek en de schepen lagen werkloos aan de wal. De oude havens van Almelo, ooit vol leven, raakten leeg.
De binnenhaven – die mooie plek vlak bij de markt – werd in de jaren vijftig zelfs gedempt. Waar vroeger de pramen aanlegden met turf en textiel, stonden ineens auto's geparkeerd. De stad keerde het water letterlijk de rug toe.
Toch bleef het water onder de stad stromen, alsof het wachtte. De Almelose Aa, het kanaal naar Zwolle en het stuk richting Nordhorn bleven liggen als stille getuigen van wat ooit was. Ze vertelden hun verhaal alleen nog aan wie goed keek — of luisterde naar de oude schippers bij de kade.
Die vertelden over mistige ochtenden, over bruggen die vastzaten in de vorst, en over de geur van nat touw en teer. Ze vertelden ook over het verlies, toen de schepen verkocht werden, de masten omgingen en de kinderen van boord gingen om "iets met fabrieken" te doen.
Almelo groeide, maar verloor iets van zichzelf: dat kloppende hart van water. Tot een stel Twentse enthousiastelingen dacht: dat mut anders. Zij wilden het waterverhaal terugbrengen — niet op papier, moar op de golven.
En zo begon de wedergeboorte van de praam, en met haar de herontdekking van Almelo’s maritieme ziel.
De herontdekking van het water
’t Begon met een paar leu die dachten: Almelo zonder schip, dat kan toch niet? Zo werd in 2016 de Stichting Almelose Platbodems opgericht. ’t Doel was helder as het kanaal op een zomerdag: het water weer laten leven.
Ze vonden een oude Friese boerenpraam uit 1910, die ergens lag te wachten op een tweede leven. Ze noemden haar Stad Almelo II – een naam die klinkt as een eerbetoon én een belofte. Met een stel handige handen, een pot verf en een flinke portie Twentse koppigheid werd ze weer vaarklaar gemaakt.
De praam werd niet zomaar een boot. Ze werd een varend museum, een leslokaal op het water en een plek voor verhalen. Vrijwillige schippers namen gasten mee door de binnenstad, vertelden over de textielfabrieken, de turfschippers en de tijd dat het leven nog naar teer en koffie rook.
Langzaam kreeg Almelo het water weer in de kop. Mensen bleven staan bij de brug als de praam voorbij gleed. Kinderen zwaaiden. Toeristen keken verbaasd: "Varen, hier?" Ja, hier dus.
De praam bracht niet alleen beweging in het kanaal, moar ook in de stad. Ze verbindt mensen – oud en jong, Almelose schippers en nieuwsgierige bezoekers. Ze laat zien dat geschiedenis geen stoffige plank in het archief is, moar een levend verhaal dat nog steeds drijft.
En het mooiste? Elke vaart is anders. Soms met een stel schoolkinderen, soms met toeristen, soms met Twenten die zelf verrast zijn door hun eigen stad. Iedereen die aan boord stapt, voelt het: Almelo leeft weer met het water.
Of, zoals een oude schipper laatst zei: "’t Duurt soms efkes, moar good water krieg ie altied weer an ’t stromen."
De praam van nu – stil, sterk en elektrisch
Een eeuw geleden voer ze op turf, nu op stroom. De Stad Almelo II heeft een nieuw hart gekregen: fluisterstil, krachtig en schoon. Na maanden pokkel’n aan kabels, accu’s en techniek is de praam nu volledig geëlektrificeerd.
Geen dieselgeur meer, geen rookpluim. Alleen het zachte zoemen van de motor en het gekabbel van water tegen de romp. De toekomst klinkt hier niet luid, moar heanig – precies zoals het hoort in Twente.
De elektrificatie was geen kleine klus. Vrijwilligers, technici en de gemeente sloegen de handen ineen. Er kwam een laadpaal bij de haven, nieuwe batterijen onder het dek en slimme meters aan boord. Zo kan de praam nu urenlang varen zonder ook maar een druppel brandstof.
Maar wat gebleven is, is haar karakter. De robuuste lijnen van 1910, de houten banken, het glimmende dek – ze ademt geschiedenis. Alleen de motor verraadt dat dit geen museumstuk is, maar een varende brug tussen vroeger en morgen.
De elektrische praam past bij de tijd, maar vooral bij het Twentse nuchtere verstand. Duurzaam, zuinig, en met respect veur ’t oude ambacht. Ze laat zien dat erfgoed niet stil hoeft te liggen in een loods, moar mee kan varen in de toekomst.
Vandaag brengt ze toeristen, scholieren en nieuwsgierige Almelose leu langs de waterkant. Langs oude fabriekspanden, nieuwe bruggen en plekken vol herinnering. Iedere tocht vertelt hetzelfde verhaal, moar nooit op dezelfde manier.
Want elke golf is anders. En elke passagier hoort iets wat blijft hangen. De praam is niet alleen elektrisch – ze is levend erfgoed met een stekker.
7. De toekomst – als het water weer komt
Wie goed luustert, hoort ’t water weer praten in Almelo. Het kabbelt, het vertelt, en het trekt mensen noa de kade. En dat is precies wat we willen: dat de stad weer leeft met het water, net as vrogger.
De plannen liggen klaar. De gemeente wil de oude binnenhaven deels terugbrengen – waar ooit de pramen aanmeerden bij de markt. Stel je voor: weer schepen aan de kade, terrasjes aan het water, kinderen die zwaaien noa de schippers. ’t Is gin droom meer, moar een plan dat langzaam vorm krijgt.
De Stad Almelo II speelt d’r een hoofdrol in. Ze is het uithangbord van een stad die haar wortels herontdekt. Met vaartochten, schoolprojecten en evenementen laat ze zien hoe water verbindt. De praam brengt niet alleen historie tot leven, moar maakt van elke tocht een ontmoeting.
En wie weet, over een paar jaar… Dan kun je misschien weer helemaal richting Nordhorn varen. De oude sluizen en bruggen wachten nog, moar Twente kennende komt dat goed. We hebt geduld, en een stevige dosis doorzettingsvermogen.
Tot die tijd varen we verder, van het Dollegoor tot Vriezenveen, van de Eilandbrug tot het Twentekanaal. Elke tocht is een klein stukje toekomst, varend op het verleden.
De praam is meer dan hout, staal en stroom. Ze is een herinnering die beweegt, een stad die ademt, en een verhaal dat nooit ophoudt.
En as de zon zakt achter de brug en het water glanst als vloeibaar goud, denk je vanzelf: Almelo, stad van water – wie had dat ooit gedacht.
Varen waar geen water is
En zo is de cirkel weer rond.
Wat ooit begon met turf, zweet en blaren aan de hend, is terug als trots, plezier en stilte op het water.
De praam vaart weer, en met haar het verhaal van Almelo.
Ze herinnert ons eraan dat geschiedenis niet in boeken hoeft te blijven. Je kunt d’r middenin zitten — op een houten bank, met de wind in de kop en het geruis van de stad op de achtergrond. Elke golf vertelt wat er was, en wat er nog kan komen.
De Stad Almelo II laat zien wat Twenten allang weet: je hoeft gin grootse plannen te hebben om iets bijzonders te doen. Een stel leu met liefde veur water, een oude praam en wat doorzettingsvermogen — dat is genoeg om een stad weer te laten stromen.
We varen waar ooit geen water was, en we brengen het leven terug in de grachten. Zo blijft Almelo niet alleen een stad van textiel en arbeid, moar ok van water, verhalen en verbinding.
Dus stap aan boord, voel de historie onder je voeten, en luister hoe de stad weer ademt.
Want hier, op ’t water van Almelo, löp alles weer good.